Hoe objectief is het schaalvergrotingsverhaal?

Het eerlijke antwoord is: slechts deels.

Zelfs wat in de discussie het meest centraal staat, het meten van bestuurskracht, is alleen werkelijk objectief te doen als het hele concrete diensten en processen betreft. Denk bijvoorbeeld aan het verlenen van vergunningen, het onderhouden van stadsgroen, e.d.

Hoe abstracter de dienst of functie, hoe subjectiever de meting onvermijdelijk wordt. Hoe ga je bijvoorbeeld de bestuurskracht vaststellen rond een gemeentelijk project ‘sterke wijken’?

En hoe meet je de kosten van een burgemeester die mede namens collega’s met de NS onderhandelt? Op basis van diens salaris? Kijkend naar gemiste opbrengsten doordat hij zijn schaarse tijd niet aan iets anders kon besteden?

In het Deloitte-onderzoek vond de bestuurskrachtmeting plaats op:

  • zelfbeeld (van de colleges)
  • omgevingsbeeld (van maatschappelijke en bestuurlijke partners)
  • en professioneel beeld (wat de consultant denkt te zien en wat het bureau aan ijkingsinformatie heeft).

Terzijde: Schiet u hier dezelfde vraag te binnen? Waar is nu het beeld van de ‘klant’, de inwoner?

Hoe het ook zij, waar mogelijk heeft Deloitte zaken financieel gemaakt en of vergeleken met kengetallen afkomstig uit onderzoek bij vele gemeenten.

Kortom:

Het is onvermijdelijk dat besluiten genomen worden, op basis van ‘het gevoel dat’. Dat is niet erg, mits het gevoel op ruime praktijkervaring gebaseerd is. Mits er alles aan gedaan is om te objectiveren wat geobjectiveerd kan worden. En mits het onderscheid tussen harde feiten en meningen helder is. Waarbij zowel voor- als tegenstanders er uiteindelijk open over durven zijn, dat ze slechts gedeeltelijk op basis van harde feiten handelen.

Politici die anders pretenderen, voor- of tegenstander, verdienen gezonde argwaan van ons als kiezer.