Wat is er tegen bestuurlijke fusie?

Ook hiervoor zijn redenen aan te voeren:

Vergroting bestuurlijke afstand tot de burger”. Hoeveel vertrouwen heeft de burger in het lokaal bestuur? Metingen en waarnemingen lopen uiteen. Als Denktank vinden wij dat het probleem niet onderschat moet worden: mensen hebben uit de crisis geleerd te wantrouwen wat groot en ver is. Hoe het zij, vrijwel iedereen is het erover eens dat de binding bestuur – burger beter kan en moet. Een bestuur op grotere schaal en dus grotere afstand, helpt daarvoor bepaald niet. Zo bleek uit CPB-onderzoek dat de opkomst bij lokale verkiezingen in gefuseerde gemeenten met 2,5 procespunt daalt (dus bijvoorbeeld een daling van 50% naar 47,5%). En als het inwonertal door de fusie verdubbelt, is de daling zelfs 4 procentpunt (van bijv. 50% naar 46%). Deze effecten zijn tamelijk blijvend: na 8 jaar zijn ze nog van kracht, zelfs na 30 jaar, zo is geconstateerd.

Uitholling van lokale identiteit”. Zoals ook op 13 maart tijdens het Goois Verkiezingsdebat van tv NH weer bleek: identiteit is een lastig grijpbaar fenomeen. In traditionele, kleine dorpen en kernen die zich ‘door fusie bedreigd voelen’ speelt het identiteitsgevoel sterk op. Bezien vanuit een grotere fusiepartner wordt dit anders beleefd, daar bekijkt men de ‘ingefuseerde kleintjes’ nog wel eens vanuit een romantisch beeld. Maar ook hoor je dat dorpsraden e.d. in de grotere gefuseerde gemeente misschien juist wel een versterking van de lokale identiteit ervaren. Bewoners van een van de kernen van Wijdemeren, immers al sinds 2001 gefuseerd, zijn ervaringsdeskundig. Vraag het hen!

Groot is niet per definitie beter, vaak zelfs het tegenovergestelde”. Als iets dat heeft laten zien, is het wel de crisis die in 2007 / 2008 ontstond. Hoewel de gegroeide, onbeteugelde grootschaligheid daar slechts een van de oorzaken voor was. Vreemd genoeg is er nog tamelijk weinig wetenschappelijk onderzoek verricht naar de relatie tussen de grootte en de prestaties van gemeenten. De resultaten spreken elkaar soms tegen. Als er al een harde conclusie uit te trekken valt, dan is het: dat er in de Nederlandse situatie geen echt harde conclusies zijn. Dus ook niet dat groter efficienter is. Wel blijkt gemeentegrootte iets te zeggen over de mate waarin de continuiteit van dienstverlening te waarborgen is: onder een bepaalde omvang is dat uiteraard lastig en zal je naar oplossingen moeten zoeken. Er is een grappig voorbeeld van een zelfstandige gemeente met slechts 1570 inwoners die het prima zou redden. De liefhebber kan het kadertje hierboven raadplegen en vindt desgewenst hier uitgebreider informatie. De vraag is natuurlijk: welke Gooise gemeente kent soortgelijke omstandigheden?

“Is het ooit groot genoeg?” Er zijn altijd redenen te vinden waarom het nog weer een gradatie groter zou moeten. Zo sluit het wegennetwerk van een willekeurige grote gemeente altijd weer op een ander netwerk aan. En zo trekt milieuvervuiling zich weinig van door de bureaucratische mens getrokken lijntjes aan. Of, als het om concurreren gaat, ook als Gooistad zullen we het economisch tegen Amsterdam blijven afleggen. Kortom de meest interessante vraag wordt in deze hele discussie niet gehoord: is er niet gewoon een ‘juiste schaal’ vast te stellen voor de diverse gemeentelijke activiteiten?

Fuseren is moeizaam en riskant“. Dat is ontegenzeggelijk waar. Uit het bedrijfsleven is bekend dat een fors percentage van de fusies mislukt. Er is geen reden om aan te nemen dat dit bij het openbaar bestuur beter zou gaan. Het betekent dat de wenselijkheid en haalbaarheid van elke fusie serieus gewogen moet worden. Waarbij er niet onder het motto van ‘positief denken’ wordt weg gekeken van risico’s. Ze dienen opgespoord, benoemd en beheerst te worden. Waarbij ook de moeite en de kosten van het fuseren moet worden afgewogen tegen de verwachte opbrengsten.

Er bestaan andere oplossingen dan bestuurlijke fusies”. Ook dit is waar. In onze eigen regio fuseerden Blaricum, Eemnes, Huizen en Laren (BELH) het ambtelijk apparaat. Ze bleven zo elk bestuurlijk autonoom. Zonder problemen zal dit niet zijn. Het ambtelijk apparaat werkt op die manier immers voor vier bazen, die bovendien onderling niet gelijkwaardig zijn (Huizen is aanzienlijk groter dan de andere drie). Als Denktank hebben wij er geen zicht op hoe effectief dit in de praktijk functioneert. In deze zelfde categorie valt de regionale samenwerking. Ook dan creeer je een gemeenschappelijke dienst, maar dan voor een beperkt arsenaal aan onderwerpen. Een variant is de situatie, waarbij een burgemeester een aantal gemeenten vertegenwoordigt bij het overleg met c.q. lobby bij NS, rijksoverheden, etc.

Er bestaan andere oplossingen voor democratische controle“. De gedachte ligt voor de hand, dat raadsleden binnen het bestaande systeem hun controle op gedeelde dienstencentra zouden kunnen verbeteren. Namelijk door meer pro-actief te zijn. Door vooraf heldere, zakelijke voorwaarden en prestatiecriteria te formuleren waaraan zo’n dienstencentrum moet voldoen. Daarop is wel degelijk te monitoren en als dat nodig is te corrigeren. Het stelt wel hoge eisen aan de bagage van raadsleden, idealiter toch een dwarsdoorsnede van de bevolking. Neem als voorbeeld ons nationaal parlement. Hoe vaak zien we daar zo’n werkwijze? Kortom, het ware wenselijk maar de vraag is: hoe reëel is deze oplossing?